NL EN
  • Home»
  • Weblog »
  • Opdrachtgeversauteursrecht: let op voor uiteenlopende rechten!

Opdrachtgeversauteursrecht: let op voor uiteenlopende rechten!

Het opdrachtgeversauteursrecht bepaalt dat de opdrachtgever het auteursrecht op een op bestelling gemaakt ontwerp kan verkrijgen. Deze regel komt voort uit een verdrag uit de Benelux dat hoofdzakelijk ziet op modellen, niet in lijn ligt met Europees recht en bovendien een uitzondering vormt op de normale auteursrechtelijke regels. Dit levert een vreemde situatie op, die ik hieronder uiteenzet. Geen zin om helemaal door te scrollen? Onthoud dan dat het sluiten van goede overeenkomsten essentieel is voor het voorkomen van ongemakkelijke situaties..

Het auteurs- en modellenrecht

Als iemand een voortbrengsel (lees: maaksel) creëert, verkrijgt diegene als maker de auteursrechten daarop. Het auteursrecht vereist slechts dat een voortbrengsel - zoals een ontwerp - enige intellectuele (lees: creatieve) waarde dient te hebben om auteursrechtelijke bescherming toe te komen. De feitelijkmaker verkrijgt normaal gesproken de auteursrechten op het werk. Wanneer iemand een werk creëert in een werkgever-werknemer-relatie, geldt echter dat niet hij, maar zijn werkgever het auteursrecht op het werk verkrijgt. Dit gaat echter niet op in een opdrachtrelatie: in dit geval verkrijgt niet de opdrachtgever, maar de opdrachtnemer het auteursrecht.

Het modellenrecht beschermt het uiterlijk van voortbrengselen en kan net als het auteursrecht zien op ontwerpen. In tegenstelling tot het auteursrecht, gold in het modellenrecht van oudsher een verplichting tot inschrijving in een register. Pas ná inschrijving, kon men bescherming op een model claimen. De vereisten voor het modellenrecht verschillen in geringe mate van die binnen het auteursrecht. In de praktijk zullen ontwerpen echter vaak zowel door het auteursrecht, als het modellenrecht worden beschermd. In dit geval wordt ook wel van samenloop van rechten gesproken. Net als in het auteursrecht, geldt dat de feitelijke maker de rechthebbende is en dat in een werkgever-werknemer-relatie, de werkgever rechthebbende is. In een opdrachtrelatie is de situatie echter minder duidelijk; we zullen hieronder zien dat verschillende wetten zowel de opdrachtnemer, als de opdrachtgever als rechthebbende aanmerken.

Wetgeving

Het auteursrecht is gebaseerd op de Nederlandse Auteurswet. In het modellenrecht gelden verschillende wetten naast elkaar. Ten eerste is er het Beneluxverdrag inzake de intellectuele eigendom (‘BVIE’), dat moet worden gezien als een nationale wet die geldt voor de gehele Benelux. Ten tweede is er de Gemeenschapsmodellenverordening (‘GMoV’), die al bestond voor het BVIE en moet worden gezien als Europese wet.

In Nederland, moet dus worden gekeken naar één wet in het kader van het auteursrecht, maar naar twee in het kader van het modellenrecht. Van oudsher was het niet lastig om te bepalen welke van de bovengenoemde wetten van toepassing is op een model; schreef je een model in in het Beneluxregister, dan gold de BVIE en deed je hetzelfde in het Gemeenschapsregister dan gold de GMoV. So far so good, zou je zeggen.

BVIE en GMoV lopen uiteen..

Maar, zoals altijd zitten er de nodige adders onder het gras. Ten eerste, introduceerde het GMoV – anders dan het BVIE dat die mogelijkheid niet kende - ook niet-ingeschreven modellen. Dit zorgde ervoor dat het lastig werd om te bepalen welke wet van toepassing was op een bepaald model; waar je voorheen nog in registers kon kijken om te zien of een wet van toepassing was, kon dat met niet-ingeschreven modellen onder de GMoV immers niet meer.

Ten tweede maakte de GMoV geen expliciete keuze tussen de opdrachtgever of de opdrachtnemer ten aanzien van de vraag wie rechthebbende is op een model. Het liet daarbij bovendien ruimte toe aan lidstaten om andersluidende bepalingen op te stellen. En dat is precies gebeurd; in uitzondering van de GMoV, kiest het BVIE (in artikel 3.8) in die situatie juist voor de kant van de opdrachtgever.                        

En ten derde, bepaalt het BVIE (in artikel 3.29) dat bij een samenloop tussen auteurs- en modelrechten, deze rechten moeten worden gelijkgetrokken. Dit betekent dat in die situatie zowel het auteursrecht, als het modelrecht aan de opdrachtgever toekomen. Dit heeft de situatie doen ontstaan waarin de opdrachtgever een auteursrecht op een ontwerp kon verkrijgen door het inschrijven van een model op grond van het BVIE. En dat is vooral vreemd omdat het auteursrecht juist de opdrachtnemer als rechthebbende aanwijst..

Vervolg: situatie wordt penibeler door nationale rechtspraak

Oorspronkelijk was de situatie zo dat het bovenstaande alleen gold voor ingeschreven modellen. Botsing van rechten ontstond dan ook pas ná inschrijving van een model. Dit is mijns inziens al een behoorlijk probleem en had moeten worden opgelost door de Beneluxwetgever. Deze had immers het BVIE aan kunnen passen om deze in lijn te brengen met de GMoV. Door een aantal arresten van verschillende instanties, is de situatie echter nóg penibeler geworden.

  • Allereerst oordeelde de hoogste Beneluxrechter in 2007 in haar Electrolux-arrest dat het BVIE ook zag op niet-inschreven modellen. De bovenstaande situatie werd nog erger; botsing van rechten vond nu ook plaats zonder inschrijving van modellen.
  • Vervolgens oordeelde de hoogste Europese rechter in haar Cul de Sac-arrest dat de GMoV de opdrachtnemer expliciet aanwijst als rechthebbende. Dit bevestigde dat het BVIE niet in lijn lag met de GMoV ten aanzien van de vraag wie rechthebbende was op een model.
  • Hierna paste het Amsterdamse hof de situatie uit Electrolux blind toe op het auteursrecht in haar HS Design/Voortman-arrest. In Electrolux, ging het alleen nog om het BVIE, maar werd nog niets genoemd over auteursrechten.
  • En tenslotte oordeelde de Nederlandse Hoge Raad in het Vuurkorvenarrest (i) dat het BVIE niet in strijd was met de GMoV omdat de GMoV niet zag op de auteursrechtelijke bescherming van modellen en (ii) dat de samenloopregel uit het BVIE ook zag op modellen die niet in strikte zin voldeden aan de modelrechtelijke vereisten. Tegen de lijn van de verwachtingen in, schoot de Hoge Raad het BVIE dus niet af en versoepelde hij bovendien de toepasselijkheid van de samenloopregel..

Resumerend: de ontstane situatie en de oplossing

Aldus is de situatie als volgt wanneer een opdrachtnemer een ontwerp maakt voor een opdrachtgever en deze niet inschrijft:

  • De opdrachtnemer verkrijgt de auteursrechten op het ontwerp op grond van de auteurswet.
  • De opdrachtgever verkrijgt de modelrechten op het ontwerp op basis van het BVIE.
  • De opdrachtgever kan een beroep doen op de samenloopregel uit het BVIE, waardoor hij naast de modelrechten, ook de auteursrechten verkrijgt.
  • De opdrachtnemer verkrijgt echter op basis van het GMoV de modelrechten, maar de GMoV zegt niets over het auteursrecht, waardoor deze dus bij de opdrachtgever blijven rusten.

Het BVIE is dus in strijd met zowel het nationale auteursrechtelijke systeem, als het Europese modelrechtelijke systeem. Maar, door een loophole in de wet, verkrijgt de opdrachtgever tegen alle logica in toch het auteursrecht. Al met al een behoorlijk onwerkbare situatie dus, die absoluut voorkomen had moeten worden door zowel de Beneluxwetgever en het Beneluxhof, als de Nederlandse nationale rechters. Maar, gelukkig is er wel gewoon een oplossing..

Les: maak goede contracten!

Want, het is namelijk zo dat bovengenoemde regelgeving van regelend recht is, wat betekent dat je hiervan mag afwijken bij overeenkomst. Het opstellen van overeenkomsten waarin intellectuele eigendomsrechten (waaronder dus auteurs- en modelrechten!!) op een juiste manier worden toegewezen aan partijen, is dus essentieel om gedoe achteraf te komen. Let dus goed op, want alleen zo kan je de hierboven uiteengezette situatie van uiteenlopende rechten voorkomen!



PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.