NL EN
  • Home»
  • Weblog »
  • Thuiskopieheffing historisch beschouwd

Thuiskopieheffing historisch beschouwd

Een aantal dagen geleden bracht de Europese Commissie een rapport uit over heffingen op privékopieën. De meeste Europese landen hebben een heffingsysteem geïmplementeerd waarmee rechthebbenden worden gecompenseerd voor kopieën van hun werken die buiten hun zicht (en controle) worden gemaakt. Zo dient in Nederland onder andere bij de aankoop van een lege CD of DVD, een nieuwe laptop of harde schijf of een telefoon met muziekfunctie een thuiskopieheffing afgedragen worden. Deze heffing wordt door  een collectieve beheersorganisatie geïncasseerd en vervolgens verdeeld over de daar aangesloten rechthebbenden.

 

Het rapport van de Europese Commissie maakt een aantal aanbevelingen voor de toekomst. Deze aanbevelingen zien vooral op de internationale aspecten van de verschillende heffingsystemen. Meer uniformiteit en openbaarheid wordt aanbevolen, om zo de vrijheid van goederen en diensten (en daarmee de werking van de interne markt) te verbeteren.

 

Gezien deze heffingen in de meeste landen zijn ingevoerd en de toekomst ervan momenteel het onderwerp van bespreking is, zou het wellicht interessant kunnen zijn om te kijken naar het verleden. Hoe kwamen deze heffingsystemen tot stand en wat is de ratio daarachter? 

 

Toen in 1935 de eerste magnetische geluidsopnameapparatuur werd geïntroduceerd door de Duitse firma AEG was deze nog erg duur en storingsgevoelig. Vooral het leger zag het praktisch nut van deze techniek en maakte tijdens haar gebruik ervan een aantal verbeteringen. Nadat de oorlog in 1945 was afgelopen kwam de technologie binnen het bereik van het publiek. De consumentenelektronica producent Grundig begon haar bandrecorders in Duitsland te adverteren door te wijzen op de mogelijkheid radio en grammofoonopnames te kopiëren. Dit was de eerste technologie die het op grote schaal maken van privékopieën mogelijk maakte. Dat bedreigde de bestaande inkomstenbronnen van rechthebbenden. Zodoende duurde het niet lang voordat deze rechthebbenden hun weg naar de rechter vonden. In 1955 was de collectieve rechten organisatie ‘Gesellschaft für musikalische Aufführungsund mechanische Vervielfältigungsrechte’ (GEMA) het zat. Ze daagde Grundig voor de rechter en verbood haar reclame te maken voor deze gebruiksvormen.

 

De rechtbank stelde in haar ‘Tonband’ arrest dat de wetgever bij het opstellen van de Auteurswetgeving geen rekening had gehouden met opnameapparatuur. Daarom moesten rechthebbenden in het geval van twijfel over de implicaties van deze nieuwe technologie beschermd worden. Deze overwinning maakte duidelijk dat reproducties gemaakt in de privésfeer ook onder de exploitatierechten van rechthebbenden vielen. Die constatering was echter weinig waard omdat men er snel achter kwam dat deze exploitatierechten in de privésfeer eigenlijk niet te handhaven waren. GEMA probeerde zonder succes licenties aan eigenaren van opnameapparatuur te verkopen. Wetgevingsvoorstellen om de aanschaf van licenties verplicht te stellen en te controleren stuiten op grote bezwaren: ze zouden te veel ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer en praktisch onuitvoerbaar zijn. In 1965 vond men een oplossing.

 

Er werd een exceptie aangenomen waardoor het maken van een privékopie niet beschouwd werd als inbreuk op de exploitatierechten. Daarbij nam men een systeem op dat de (door het maken van privékopieën veroorzaakte) gederfde winst compenseert met heffingen op opnameapparatuur en -media. Deze oplossing is door veel Europese landen (waaronder door Nederland in 1990) overgenomen.

 

De Europese heffingsystemen vinden zodoende hun oorsprong in een afweging van belangen, het recht op een persoonlijke levenssfeer (privacy) enerzijds en de exploitatierechten uit het auteursrecht anderzijds. De opkomst van een nieuwe technologie (geluidsopnames) had tot gevolg dat de auteursrechtelijke exploitatierechten werden beperkt. Deze privésfeer exceptie was (en is, zo blijkt uit het rapport) een heet hangijzer. Als compromis werd in veel landen een heffingen systeem op geluids- en beelddragers ingevoerd, waarmee de onmogelijkheid om de exploitatierechten te handhaven gecompenseerd werd.

 

Net als in de jaren zestig wordt het recht nu geconfronteerd met een technologische verandering: de opkomst van internet en computers. Deze technologie stelt haar gebruikers instaat om gemakkelijk digitale kopieën van beschermde werken te maken.

 

Toen in 2012 de laatste uitbreiding van de thuiskopieheffing werd besproken, waardoor deze ook laptops en harde schijven is gaan omvatten, ontstond er een stevige discussie. Brancheverenigingen uit de ICT wereld noemden de bedragen 'volledig uit de lucht gegrepen', terwijl veel rechthebbenden en de regering het als een eerlijk gevolg van het niet invoeren van een downloadverbod beschouwden. Waarschijnlijk is dit niet de laatste keer geweest dat de thuiskopieheffing tot discussie heeft geleid; het rapport van de Europese Commissie geeft aanleiding om te vermoeden dat de discussie zich binnenkort naar een Europees niveau zal verleggen.

 

Uit het verleden van het heffingsysteem blijkt dat de ratio achter de thuiskopieheffing gelegen ligt in een compromis tussen twee belangen. Gelet op dat verleden zijn de steeds oplaaiende discussies logische herhalingen van zetten tussen de behartigers van deze belangen. Daaruit blijkt dat deze blik op het verleden ook nuttige aanknopingspunten kan bieden, waarmee de toekomstige ontwikkelingen begrepen kunnen worden.

 

 

Auteur: Jesse Dirks

BRON: D.J.G. Visser, Auteursrecht op toegang, p. 46-49; ‘European Commission publishes recommendations regarding private copying levies’, The Future of Copyright 1 februari 2013; ‘Kabinet: toch uitbreiding thuiskopieheffing’, Webwereld 4 juli 2012


PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.