NL EN
  • Home»
  • Weblog »
  • Redelijkheid en billijkheid: korting afhankelijk van vervolgopdracht?

Redelijkheid en billijkheid: korting afhankelijk van vervolgopdracht?

Enige tijd geleden verscheen een uitspraak van de kantonrechter Amsterdam op rechtspraak.nl. De zaak betrof een overeenkomst van opdracht voor het bouwen van de app, waarbij opdrachtgever een startbedrag betaalt en daarna facturen ontvangt op basis van nacalculatie. Gedurende het project blijkt dat voor het oorspronkelijke begrootte bedrag geen geheel werkende app kan worden gebouwd. Hiervoor is een “nieuw platform” nodig, met een bijbehorende factuur. De opdrachtgever is hier niet blij mee en doet het volgende voorstel aan opdrachtnemer:

Om op een goede basis verder te gaan stel ik dan ook voor dat jullie een korting geven van 15% op de nu nog uitstaande facturen. Indien jullie hiermee akkoord gaan, kunnen wij – zonder onbevredigend gevoel – onze samenwerking zoals je beschreven hebt continueren.”

De opdrachtnemer komt met een tegenvoorstel:

Ik wil voorstellen om 10% korting te geven op de uitstaande facturen, deze korting verrekenen wij met de eerstvolgende factuur, dat zal de aanbetaling zijn van de eerste fase.
De openstaande facturen kunnen per ommegaand betaald worden en wanneer de designs aan jullie zijde gereed zijn maak ik een nieuwe begroting en kom ik met een voorstel voor de fixed price opslag (nu 30%). Dan kan jij daarna besluiten hoe we verder gaan
.”

Opdrachtgever accepteert de 10% korting. Vervolgens ontstaat tussen partijen een discussie over de betaling van facturen. Opdrachtnemer stelt dat een factuur (van 13 januari 2012) onbetaald is gebleven. De opdrachtgever heeft deze factuur nooit ontvangen en is verbaasd dat hij hiermee geconfronteerd wordt nadat hij net een aanzienlijk bedrag heeft betaald voor het nieuwe platform. De samenwerking is door deze gang van zaken “definitief geen optie meer” voor opdrachtgever. Opdrachtgever stelt voor dat de factuur van 13 januari 2012 wordt verrekend met de korting van 10%. Na de verrekening dient opdrachtgever dan nog een restantbedrag te ontvangen, dat hij dan ook direct van opdrachtnemer vordert. Opdrachtnemer is het niet eens met de verrekening en stelt dat de korting alleen zou worden verleend als de vervolgopdracht door opdrachtgever werd verleend. Nu de opdrachtgever de samenwerking heeft beëindigd, zou deze geen aanspraak meer kunnen maken op de korting.

Voor de kantonrechter ligt derhalve de vraag of opdrachtgever de korting van 10% kan verrekenen met de factuur van 13 januari 2012 en of de opdrachtgever aanspraak kan maken op het restant van het bedrag aan korting, dat overblijft na verrekening. De kantonrechter kijkt hierbij wat beide partijen over en weer konden verwachten van de gemaakte afspraken, met name of de korting afhankelijk was van de vervolgopdracht.

De kantonrechter geeft beide partijen een beetje gelijk:

Holder BV [de opdrachtnemer – R.H.] doet geen recht aan de partijafspraak door de korting voor de eerste opdracht niet meer te willen geven. De korting was immers niet afhankelijk gemaakt van het verkrijgen van de tweede opdracht, terwijl de korting ook niet op de tweede opdracht betrekking had, maar op de eerste opdracht.
[gedaagde in conventie / eiser in reconventie] doet aan de partijafspraak geen recht door onverkort aan de (hoogte van de) korting vast te houden, terwijl hij wist dat beide partijen bij het totstandkomen van de afspraak over de korting veronderstelden dat over de tweede opdracht overeenstemming zou worden bereikt.

Met toepassing van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW) vult de kantonrechter de leemte op die in de overkomst zit, nu partijen niet hebben geregeld hoe met de korting en de hoogte van de korting zou worden omgegaan in geval opdrachtgever geen tweede opdracht zou geven. Ook hierin kiest de kantonrechter de gulden middenweg:

De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen naar het oordeel van de kantonrechter mede dat in het geval er geen tweede opdracht zou komen Holder BV [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] tegemoet zou zijn gekomen in zijn ongenoegen over het resultaat van de eerste opdracht door de korting te stellen op het bedrag van de factuur van 13 januari 2012. Een dergelijke afspraak ligt gelet op de hoogte van de korting, de hoogte van de factuur van 13 januari 2012 en de kosten en tijd die met het voeren van een incassoprocedure voor een betrekkelijk gering bedrag zouden zijn gemoeid voor de hand.

De kantonrechter matigt dus de korting tot het bedrag van de factuur van 13 januari 2012 en streept de korting en de factuur tegen elkaar weg. Hiermee worden de vorderingen van beide partijen afgewezen en worden ze veroordeeld in elkaars proceskosten.

BRON: rechtspraak.nl


PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

REACTIE (1)

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.