NL EN
  • Home»
  • Weblog »
  • Prejudiciële vragen over vingerafdrukken in reisdocument

Prejudiciële vragen over vingerafdrukken in reisdocument

De Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak heeft op 28 september jl. vier hoger beroep zaken stil gelegd in afwachting van prejudiciële vragen die zij heeft gesteld aan het Hof van Justitie.

De vier stilgelegde zaken in Amsterdam, Den Haag, Nuth en Skarsterlân, zijn nagenoeg identiek. Het betreft steeds de situatie dat een aanvraag voor een reisdocument (paspoort of identiteitskaart) niet in behandeling is genomen omdat de aanvrager heeft geweigerd om zijn vingerafdrukken af te geven. Het gemaakte bezwaar werd steeds ongegrond verklaard, evenals het daartegen ingestelde beroep bij de rechtbank. Tegen de ongegrond verklaringen van de rechtbanken hebben de betreffende vier personen hoger beroep ingesteld.

De verplichting om vingerafdrukken af te geven bij het aanvragen van een reisdocument volgt uit artikel 28a, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (PUN). Dit artikel is de implementatie van Verordening (EG) 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten, zoals gewijzigd door de Verordening (EG) nr. 444/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2009 (Verordening).

Dat niet iedereen te spreken is over de (langdurige) opslag van vingerafdrukken bij het aanvragen van een nieuw reisdocument blijkt wel uit de vele bezwaren die tegen deze regelgeving zijn gemaakt. Deze bezwaren zien vooral op de (eventuele) schending van de privacy en de zorgen over de beveiliging van de opslag van deze gegevens. Een enkeling probeert nog een andere hoek, zoals een inbreuk op een (intellectuele) eigendomsrecht op een vingerafdruk.

Ook tekstueel vertonen de hoger beroep zaken veel overeenkomsten. De Raad van State begint bij een overzicht van de relevante wet- en regelgeving. Op internationaal niveau wordt artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat het recht op privéleven waarborgt, en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, dat ziet op de verwerking van gevoelige persoonsgegevens, aangehaald. De Raad vervolgt op Unieniveau met artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) waarin wordt bepaald dat de Unie het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) erkent. In artikel 7 van het Handvest wordt wederom het recht op eerbiediging van het privéleven gewaarborgd en artikel 8 Handvest waarborgt het recht op bescherming van persoonsgegevens. Vervolgens haalt de Raad de Privacyrichtlijn en Richtlijn 95/46/EG aan, dat ziet op de verwerking van persoonsgegevens, alsmede artikel 286 van het EG-Verdrag, dat nu is vervat in artikel 39 VEU. Tenslotte wordt door de Raad de Verordening aangehaald, waarna de Raad de PUN langsloopt.

De appelanten voeren allen ongeveer gelijke bezwaren aan, namelijk dat de Verordening zonder toereikende rechtsgrondslag is vastgesteld en dat de Verordening in strijd is met het recht op privéleven van o.a. artikel 8 EVRM alsmede met de bescherming van persoonsgegevens van o.a. artikel 8 Handvest. In het hoger beroep tegen de burgemeester van Amsterdam vervolgt de Raad van State met de beoordeling van het geschil.

De Raad van State begint de beoordeling in overweging 9 met erop te wijzen dat de geldigheid van de Verordening ook moet worden beoordeeld door toetsing aan de bepalingen van het Handvest, zo volgt uit artikel 6 eerste lid VEU en HvJ 9 november 2010, C-92/09 en C-93/09 en dat de inhoud en reikwijdte van de rechten opgenomen in het Handvest overeenkomen met de rechten gegarandeerd in het EVRM, zo volgt uit artikel 52 derde lid van het Handvest.

In overweging 10 vervolgt de Raad van State met op te merken dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (HvJ 8 juni 2010, zaak C-58/08) “het evenredigheidsbeginsel [vereist – R.H.] dat de middelen waarmee een bepaling van gemeenschapsrecht de legitiem in de betrokken regelgeving gestelde doelstellingen beoogt te bereiken, passend zijn en niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is.”

Om te bepalen of de verplichting om vingerafdrukken af te staan aan dit vereiste voldoet begint de Raad in overweging 12 met te overwegen dat biometrische kenmerken moeten worden aangemerkt als persoonsgegevens in de zin van de Privacyrichtlijn en het Handvest. Voorts wijst de Raad er op dat gebleken is dat verificatie en identificatie op basis van biometrische kenmerken bij een rechtmatige houder van een reisdocument geregeld niet slaagt, zo volgt uit een brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 april 2011. Ook zijn er, ondanks dat de wetgever heeft gekozen voor een hoger beschermingsniveau dan het vereiste minimumbeschermingsniveau, problemen gesignaleerd rond de veiligheid van het opslagmedium, doordat het opslagmedium een Radio Frequency Identification Chip betreft, dat signalen uitzendt.

Uit het voorgaande concludeert de Raad dat de twijfel die wordt veroorzaakt door de mislukte verificatiepogingen juist afbreuk doet aan het doel van de Verordening, namelijk “het reisdocument veiliger maken en een betrouwbaarder verband tot stand brengen tussen de houder en het paspoort of reisdocument, hetgeen in belangrijke mate bijdraagt tot de bescherming ervan tegen frauduleus gebruik”, zo volgt uit de preambule onder 3 van de Verordening. Tevens twijfelt de Raad of, gezien het foutpercentage en het risico op misbruik, de verplichting passend is ten opzichte van het te beschermen belang. Daarnaast wijst de Raad op de ietwat vreemde bepaling in artikel 4 derde lid, laatste volzin van de Verordening, waarin wordt bepaald dat een negatief resultaat van de vergelijking op zichzelf geen afbreuk doet aan de geldigheid van het reisdocument voor overschrijding van de buitengrenzen. De Raad vraagt zich af of de maatregel dan wel noodzakelijk is, mede gezien de verregaande beperkingen die de maatregel meebrengt voor de rechten als gewaarborgd in artikelen 7 en 8 van het Handvest.

Omdat het de Raad op voorhand niet duidelijk is of de beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer door de verwerking van biometrische kenmerken evenredig is in verhouding tot de te beschermen belang dat is gelegen in het voorkomen van misbruik van paspoorten en reisdocumenten besluit de Raad om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie:

1. Is artikel 1, tweede lid, van Verordening (EG) 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (PB L 385, blz. 1), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 444/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2252/2004 (PB L 142, blz. 1), geldig in het licht van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?

2. Indien het antwoord op vraag 1 inhoudt dat artikel 1, tweede lid, van Verordening (EG) 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (PB L 385, blz. 1), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 444/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2252/2004 (PB L 142, blz. 1) geldig is, moet artikel 4, derde lid, van de Verordening, in het licht van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 8, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 7, aanhef en onder f, van de Privacyrichtlijn gelezen in verbinding met artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van die richtlijn zo worden uitgelegd dat ter uitvoering van deze Verordening door de lidstaten wettelijk dient te worden gewaarborgd dat de op grond van deze Verordening verzamelde en opgeslagen biometrische gegevens niet voor andere doeleinden mogen worden verzameld, verwerkt en gebruikt dan voor de afgifte van het document?

In de andere drie zaken wordt door de Raad van State volstaan met een verwijzing naar de onderbouwing van de prejudiciële vragen in de zaak tegen de burgermeester Amsterdam.

Tenslotte wijkt de zaak tegen de burgemeester van Skarsterlân nop op één aspect af van de andere drie zaken. In deze zaak betreft het namelijk de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart (NIK). De Raad van State vraagt zich af of de Paspoortwet/Verordening überhaupt wel van toepassing is op de aanvragen van een NIK. Artikel 1, derde lid, tweede volzin van de Paspoortverordening bepaalt namelijk dat: “Zij [de verordening – R.H.] is niet van toepassing op door de lidstaten aan hun onderdanen afgegeven identiteitskaarten of op tijdelijke paspoorten en reisdocumenten die een geldigheidsduur van 12 maanden of minder hebben.

Ook hierover stelt de Raad van State een prejudiciële vraag:

1. Moet artikel 1, derde lid, van de Verordening (EG) 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (PB L 385, blz. 1) zoals gewijzigd door de Verordening (EG) nr. 444/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2009, aldus worden begrepen dat de Verordening niet van toepassing is op door de lidstaten aan hun onderdanen afgegeven identiteitskaarten, zoals de Nederlandse identiteitskaart, ongeacht hun geldigheidsduur en ongeacht de mogelijkheden om deze als reisdocument te gebruiken?

Met betrekking tot de prejudiciële vragen die zijn gesteld door de Raad van State heeft Oosenburg van de PvdA vragen gesteld aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de consequenties voor de ‘weigeraars’ en of er een versnelde procedure mogelijk is. Hierop heeft minister Spies op maandag (15 oktober) geantwoord.

Overigens kan het antwoord op de prejudiciële vraag met betrekking tot de NIK te zijner tijd achterhaald zijn. De Ministerraad heeft namelijk op 28 september jl. ingestemd om een voorstel tot wijziging van de PUN in te dienen, waardoor onder andere de identiteitskaart niet langer als reisdocument wordt aangemerkt.

BRON: ITenRecht.nl


PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

REACTIE (1)

Robin Caron woensdag 17 oktober 2012 21:43

Als de Raad van State de proportionaliteitstoets van het EVRM volgt, is het antwoord al bij vraag 2 hieronder: NEE, onherkenbare vingerafdrukken op RFID-chips helpen niet bij de bestrijding van reisdocumentfraude.

1 Is there a pressing social need for some restriction of the Convention?
2 If so, does the particular restriction correspond to this need?
3 If so, is it a proportionate response to that need?
4 In any case, are the reasons presented by the authorities, relevant and sufficient? Zie: http://www.coe.int/t/dghl/cooperation/lisbonnetwork/themis/echr/paper2_en.asp

Met de prejudiciële vragen aan Luxemburg blokkeert de Raad van State nu 1,5 jaar de weg naar Straatsburg, zónder dringende maatschappelijke noodzaak. Sic(k)!

Paspoortwet-advies:
http://www.raadvanstate.nl/adviezen/zoeken_in_adviezen/zoekresultaat/?advicepub_id=10461

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.