NL EN
  • Home»
  • Weblog »
  • Prejudiciële vragen inzake Tom Kabinet

Prejudiciële vragen inzake Tom Kabinet

In een eerdere uitspraak in de rechtszaak tussen Tom Kabinet en NUV c.s. (De Groep Algemene Uitgevers en het Nederlandse Uitgeversverbond) oordeelde het Hof Amsterdam Tom Kabinet geen dienst meer mocht aanbieden, waarmee illegale e-books verkocht konden worden. Gisteren heeft de rechtbank Den Haag in de bodemzaak prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie omtrent de uitlegging van het distributierecht en de toepassing van de uitputtingsleer op e-books.

 

Achtergrond

 

Tom Kabinet is een platform dat de mogelijkheid biedt om tweedehands e-books te verkopen. Voor deze dienst betaalt de desbetreffende verkoper een vergoeding aan Tom Kabinet. Op het platform bevinden zich zowel rechtmatig als onrechtmatig verkregen e-books. Een e-book is onrechtmatig verkregen als het een auteursrechtelijk beschermd werk betreft dat zonder toestemming van de rechthebbende aan de verkrijger is verkocht. Wanneer onrechtmatig verkregen e-books worden doorverkocht, wordt inbreuk gemaakt op de rechten van de uitgever en de auteur(s). De Groep Algemene Uitgevers en het Nederlandse Uitgeversverbond zijn van mening dat de doorverkoop zonder toestemming van de rechthebbende leidt tot auteursrechtinbreuk.

 

In 2015 is door NUV c.s. een kort geding procedure gestart tegen Tom Kabinet omtrent het tweedehands doorverkopen van e-books. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat een verbod op de doorverkoop van e-books niet op zijn plaats was. Daarbij stond de uitputtingsleer centraal: als een product rechtmatig in het handelsverkeer is gebracht, is verdere verhandeling vrij van toestemming. Ook de vraag of de regel uit het UsedSoft-arrest zou kunnen worden toegepast op e-books speelde een belangrijke rol. Als bevestigend kan worden geantwoord op deze vraag, zou de doorverkoop van e-books zijn toegestaan op voorwaarde dat de digitale kopie van de e-book door de verkoper onbruikbaar wordt gemaakt. De rechtbank deed hier geen definitieve uitspraak over.

 

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde echter dat het doorverkopen van onrechtmatig verkregen e-books wel verboden was. In deze context oordeelde het Hof voorlopig dat het UsedSoft-arrest kan worden toegepast op e-books. Volgens het Hof was Tom Kabinet verantwoordelijk voor het onrechtmatig handelen, omdat zij de inbreuk zou faciliteren. In een eerdere opinie over de zaak Tom Kabinet stelden Menno Weij en Chantal van Dam dat het risico hierdoor ten onrechte bij Tom Kabinet komt te liggen. Daarbij wordt een verband gelegd met de Marktplaats zaak: Tom Kabinet zou net als Marktplaats moeten worden aangemerkt als een neutrale tussenpersoon. Ook stelden zij dat het onterecht is om Tom Kabinet te verplichten tot het treffen van aanvullende technische maatregelen, terwijl de medewerking van de uitgevers niet werd vereist.

 

Bodemzaak

 

In de bodemzaak stelt NUV c.s. dat de doorverkoop van e-books toestemming vereist. Een belangrijke wijziging in de bodemzaak is de verandering van het businessmodel van Tom Kabinet. In het oude model fungeerde Tom Kabinet als een tussenpersoon ( ‘virtuele marktplaats’), omdat alleen een bemiddelingsdienst werd aangeboden op het platform. Haar nieuwe dienstverlening is ‘Toms Leesclub’: Tom Kabinet biedt e-books aan die door Tom Kabinet zelf rechtmatig zijn aangeschaft. Daardoor is Tom Kabinet geen tussenpersoon meer, maar een e-book-handelaar binnen een besloten kring van leden. Leden kunnen wel boeken doneren, waarbij zij moeten verklaren hun eigen exemplaar te hebben verwijderd.

 

In de uitspraak oordeelde de rechtbank Den Haag allereerst dat getoetst moet worden aan de Auteursrechtrichtlijn, en niet aan de Softwarerichtlijn. Een e-book viel volgens de rechtbank namelijk niet volledig onder de werkingssfeer van de Softwarerichtlijn. Ook oordeelde zij dat geen sprake was van een mededeling aan het publiek. Voor de beantwoording van de vraag of toestemming is vereist van de rechthebbenden, moest worden beoordeeld of het distributierecht is uitgeput. Volgens de rechtbank bestond er onduidelijkheid omtrent de uitputting van het distributierecht en de toepassing van het distributierecht op digitale werken. Aan de hand van de Auteursrechtrichtlijn en bestaande jurisprudentie kan in ieder geval geen evidente conclusie worden getrokken.

 

Daarom heeft de rechtbank in haar tussenvonnis van 12 juli 2017 de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie:

1.     Dient artikel 4 lid 1 van de Auteursrechtrichtlijn aldus te worden uitgelegd dat onder “elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of kopieën daarvan door verkoop of anderszins” als daar bedoeld mede is te verstaan het op afstand door middel van downloaden voor gebruik voor onbeperkte tijd ter beschikking stellen van e-books (zijnde digitale kopieën van auteursrechtelijk beschermde boeken) tegen een prijs waarmee de houder van het auteursrecht een vergoeding verkrijgt die overeenstemt met de economische waarde van de kopie van het hem toebehorende werk?

2.     Indien vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord, is het distributierecht met betrekking tot het origineel of kopieën van een werk als bedoeld in artikel 4 lid 2 van de Auteursrechtrichtlijn in de Unie uitgeput, wanneer de eerste verkoop of andere eigendomsoverdracht van dat materiaal, waaronder hier is te verstaan het op afstand door middel van downloaden voor gebruik voor onbeperkte tijd ter beschikking stellen van e-books (zijnde digitale kopieën van auteursrechtelijk beschermde boeken) tegen een prijs waarmee de houder van het auteursrecht een vergoeding verkrijgt die overeenstemt met de economische waarde van de kopie van het hem toebehorende werk, in de Unie geschiedt door de rechthebbende of met diens toestemming?

3.     Dient artikel 2 van de Auteursrechtrichtlijn aldus te worden uitgelegd, dat een rechtmatige overdracht tussen opvolgende verkrijgers van het exemplaar waarvan het distributierecht is uitgeput, een toestemming voor de daar bedoelde reproductiehandelingen inhoudt, voor zover die reproductiehandelingen noodzakelijk zijn voor een rechtmatig gebruik van dat exemplaar?

4.     Dient artikel 5 van de Auteursrechtrichtlijn aldus te worden uitgelegd dat de auteursrechthebbende zich niet meer kan verzetten tegen de voor een rechtmatige overdracht tussen opvolgende verkrijgers noodzakelijke reproductiehandelingen van het exemplaar ter zake waarvan het distributierecht is uitgeput?

 

De vraag die centraal staat, is dus of het distributierecht van toepassing is op digitale werken. Indien dit het geval is, is de volgende vraag of er daadwerkelijk sprake is van uitputting. Binnen een termijn van zes weken kunnen de partijen reageren op de voorgestelde prejudiciële vragen. Als de partijen akkoord gaan, zullen de vragen aan het Hof van Justitie worden voorgelegd. To be continued, dus!

 

Auteur: Cindy Steentjes



PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.