NL EN
  • Home»
  • Weblog »
  • Politie mag vrijwillig verstrekte videobeelden van inbraak gebruiken
  • GEPLAATST OP: 3 december 2012
  • GEPLAATST DOOR: Anke Verhoeven
  • GEPLAATST IN: Privacy
  • GOOGLE+: Anke Verhoeven

Politie mag vrijwillig verstrekte videobeelden van inbraak gebruiken

In een recent arrest van de Hoge Raad lijkt het er even op dat de Hoge Raad een grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens toevoegt aan de limitatieve lijst van art. 8 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Nadere bestudering van het arrest leert echter anders.

Om persoonsgegevens te mogen verwerken heb je een wettelijke grondslag nodig. De mogelijke grondslagen zijn limitatief opgesomd in art. 8 van de Wbp. De belangrijkste grondslagen zijn toestemming en een gerechtvaardigd belang:

“a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;”

“f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.”

In de onderhavige zaak speelde ook de grondslag publiekrechtelijke taak een rol:

“e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt;”

De zaak gaat over een woninginbraak die met een private bewakingscamera was gefilmd. De eigenaar van de camera had de beelden van de inbraak vrijwillig en zonder dat de politie daarom had gevraagd aan de politie verstrekt. Deze beelden waren een van de bewijsmiddelen die de verdachte achter tralies deed belanden. De verdachte is in hoger beroep gegaan en uiteindelijk bij de Hoge Raad terechtgekomen met het argument dat de videobeelden niet gebruikt mochten worden omdat deze onrechtmatig verkregen zouden zijn.

De vraag die voorlag, even afgezien van de strafvorderlijke component, was of het de burger vrijstond om de beelden van zijn bewakingscamera uit eigen beweging aan de politie voor te leggen. Het Hof had geoordeeld dat daarvoor een grondslag was in sub e, de publiekrechtelijke taak. De Hoge Raad corrigeert het Hof daarin terecht. Die grondslag kan immers alleen gebruikt wordt als gegevens van het ene naar het andere bestuursorgaan overgaan, terwijl de burger evident geen bestuursorgaan is.

“Het in de overwegingen van het Hof omschreven geval heeft klaarblijkelijk geen betrekking op verwerking van persoonsgegevens in de vorm van overdracht van zulke gegevens door het ene bestuursorgaan aan het andere bestuursorgaan. Daarom zou - anders dan het Hof heeft aangenomen - art. 8, aanhef en onder e Wbp geen grondslag kunnen vormen voor het ter beschikking van de opsporingsinstantie stellen van het desbetreffende beeldmateriaal.”

De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat er wel een andere grondslag bestaat:

“Voor dit ter beschikking van de opsporingsinstantie stellen van het door middel van beveiligingscamera's verkregen beeldmateriaal zou degene die daartoe toegang heeft (de verantwoordelijke of bewerker in de zin van art. 1 aanhef en onder d dan wel e Wbp) onder omstandigheden wel een grondslag kunnen ontlenen - anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd - aan het bepaalde in art. 43 in verbinding met art. 9, eerste lid, Wbp.”

Daarbij valt op dat geen van de grondslagen uit art. 8 Wbp wordt genoemd, terwijl deze toch limitatief opgesomd zijn. De artikelen die de Hoge Raad wel noemt, zien op de zogenaamde doelbinding en op een mogelijke uitzondering daarop. Creëert de Hoge Raad hier dan een buitenwettelijke nieuwe grondslag? Ik denk van niet. Hoewel het er niet met zoveel woorden staat, is de grondslag van de gegevensverwerking door de burger waarschijnlijk art. 8 sub f, een gerechtvaardigd belang.

Dat is ook de grondslag die het CBP aanhaalt voor het filmen in en rond een woning:

“Videocameratoezicht kan het gerechtvaardigde belang dienen van de bescherming van eigendommen en de bewoners van een flat. Het is u dus toegestaan om een camera op te hangen ter beveiliging van een woning of een flat.”

Vanwege de doelbinding uit art. 9 Wbp, is het de burger niet toegestaan om deze beelden te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor hij ze heeft verzameld. Het vrijwillig verstrekken aan de politie ten behoeve van het oplossen van een inbraak zou als een nieuw doel gezien kunnen worden. Daarvoor biedt art. 43 Wbp uitkomst, aangezien daar een uitzondering op de doelbinding wordt gegeven in wanneer dat noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten.

Uit de conclusie van de Advocaat Generaal blijkt bovendien dat met deze mogelijkheid in de parlementaire geschiedenis ook rekening is gehouden:

“Dit neemt niet weg dat de Wet bescherming persoonsgegevens in artikel 43 ruimte biedt aan derden om op vrijwillige basis, dus zonder toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden, gegevens aan politie en justitie te verstrekken. Niet ondenkbaar is dat een derde daartoe eigener beweging overgaat in een geval waarin er een evident en dringend opsporingsbelang aanwezig is. Het begrip "noodzakelijk" in artikel 43 WBP vereist dat de derde aan de hand van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit afweegt of het verstrekken van de gegevens in het concrete geval noodzakelijk is voor één van de in artikel 43 genoemde doelen.”

 

BRON: rechtspraak.nl


PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.