NL EN
  • Home»
  • Weblog »
  • Nieuw auteurscontractenrecht: Het filmwerk

Nieuw auteurscontractenrecht: Het filmwerk

Op 1 juni 2010 is het langverwachte Voorontwerp voor het wetsvoorstel Auteurscontractenrecht ter consultatie gepubliceerd tezamen met een toelichting. Belanghebbenden kunnen tot 30 september 2010 reageren. Het Voorontwerp geeft regels die in acht moeten worden genomen bij het sluiten van contracten tussen de maker van een auteursrechtelijk werk en de exploitant van dat werk. Doel is het verbeteren van de positie van de individuele makers.

 

Indien het Voorontwerp wet wordt, zal het van grote invloed zijn op de positie van auteurs en uitvoerende kunstenaars (zoals schrijvers, journalisten, vertalers, componisten, regisseurs, software ontwikkelaars, acteurs, zangers, musici en beeldend kunstenaars), van exploitanten (zoals uitgeverijen, omroepen, platenmaatschappijen, film- en televisieproducenten, software bedrijven en werk- en opdrachtgevers) en van collectieve beheersorganisaties.

 

In deze reeks zal ik een aantal praktische gevolgen schetsen van toepassing van de regels in het Voorontwerp en daarbij wat kritische kanttekeningen plaatsen. In deze eerste aflevering: het filmwerk.

 

Auteursrechten niet langer overdraagbaar?

De meest drastische verandering die het Voorontwerp teweeg zal brengen is dat auteursrechten niet kunnen worden overgedragen door de maker van het auteursrechtelijke werk. In plaats daarvan kan hij nog slechts een exclusieve licentie verlenen die hij elke vijf jaar kan opzeggen. Het verschil is dat de individuele maker niet meer zegt “De rechten zijn nu van jou, ik heb daar nooit meer iets over te zeggen” maar in plaats daarvan “De rechten zijn van mij, maar de komende vijf jaar mag alleen jij ze gebruiken”.  Daarmee houdt de maker dus meer zeggenschap over wat er met zijn werk gebeurt. Hij kan de exploitatie elke vijf jaar in handen van een andere exploitant geven.

 

Op die nieuwe regel wordt echter een uitzondering gemaakt voor filmwerken. Het Voorontwerp laat artikel 45d van de Auteurswet namelijk in stand voor zover het betreft het daarin neergelegde rechtsvermoeden van overdracht. Die regel houdt in dat makers van filmwerken geacht worden hun rechten aan de producent te hebben overgedragen op het moment dat het filmwerk af is. Weinig aan de hand dus, zou men denken, alles blijft bij het oude. Waarmee ik overigens niet wil zeggen dat de huidige situatie ideaal is.

 

Op die uitzondering voor filmwerken bestaan echter ook weer uitzonderingen. Het vermoeden van overdracht geldt bijvoorbeeld niet voor makers van auteursrechtelijke werken die niet bestemd zijn als bijdrage aan het filmwerk. Te denken valt bijvoorbeeld aan de schrijver van een boek dat vervolgens verfilmd wordt. Hij zal het boek in het algemeen immers niet hebben geschreven met de bedoeling dat het verfilmd zou worden. Ook zijn uitgesloten de rechten van de componist van de filmmuziek en de schrijver van de bij de filmmuziek behorende tekst. Verder krijgt de producent ook niet het recht overgedragen om de film te bewerken (tot bijvoorbeeld een trailer). Voor deze categorieën zal dus de nieuwe regel dat slechts exclusieve licenties kunnen worden verleend, onverkort van toepassing zijn.

 

Dit kan grote gevolgen hebben voor de exploitatie van filmwerken. Zo zou de schrijver van het verfilmde boek zijn licentie na vijf jaar kunnen opzeggen. Daardoor kan het filmwerk na die periode niet meer worden geëxploiteerd terwijl de andere makers dat misschien wel willen.

 

Als de wetgever auteursrechten niet langer overdraagbaar wil maken, zou het dus logisch zijn hierop geen uitzondering te laten bestaan voor filmwerken. Dan hebben weliswaar alle makers het recht de licentie op te zeggen, maar dat recht zullen ze alleen gezamenlijk kunnen uitoefenen.

 

Een billijke vergoeding voor verleden, heden en toekomst?

Het Voorontwerp introduceert een algemeen recht op een billijke vergoeding. Voor filmmakers bestond dit recht al. De wetgever merkt in de toelichting op het Voorontwerp op dat die (niet nader gedefinieerde) billijke vergoeding - ook de aanvullende vergoeding voor exploitatiewijzen die op het moment van voltooiing van het filmwerk nog niet bestonden - van dwingend recht is. Van dat recht kan dus niet contractueel afstand worden gedaan.

 

Dit zou slechts een verduidelijking zijn van het reeds bestaande recht. Dat impliceert dat de billijke vergoeding voor het verlenen van filmauteursrechten altijd al van dwingend recht is geweest. In de rechtspraak tot op heden is dat echter niet aangenomen. Die rechtspraak was dus mogelijk onjuist en sommige filmmakers kunnen dus voor het verleden alsnog een billijke vergoeding voor de exploitatie van hun bijdrage gaan opeisen.

 

Wat dan weer een beetje vreemd is, is dat de wetgever bevestigt dat een éénmalige afkoopsom wel is toegestaan. Geldt dat ook voor exploitatiewijzen die op het moment van contractsluiting nog niet bekend waren? Want daarvoor had de filmmaker nu juist een recht op een aanvullende - men zou denken: toekomstige - vergoeding gekregen. Het introduceren van het recht op een billijke vergoeding is mijns inziens zeer toe te juichen, maar het zou de wetgever sieren als hierover wat meer duidelijkheid werd gegeven. Bijvoorbeeld door simpelweg te verbieden dat rechten met een éénmalig bedrag worden afgekocht.

 

Weggeven wat je niet hebt

Het is onder het huidige recht onzeker of rechten kunnen worden verleend die zien op exploitatievormen die op het moment van contractsluiting niet bekend zijn. Denk bijvoorbeeld aan de vraag of iemand in 1980 het recht had kunnen overdragen voor on-demand exploitatie via internet. Het logische antwoord lijkt nee te zijn; je kan toch niet iets weggeven zonder dat je (weet dat je) het zelf hebt. Ook in de toelichting op het Voorontwerp is een aanwijzing te vinden dat dit niet mogelijk is, ook niet bij licentieverlening.

 

De producent moet dus op het moment dat een nieuwe exploitatiewijze ontstaat met alle filmmakers opnieuw onderhandelen over de (financiële) voorwaarden waaronder zij hem toestemming geven om hun werk op die nieuwe manier te exploiteren. Maar wat nu als één van hen weigert een licentie te geven? Zonder medewerking van de andere makers kan een individuele maker weliswaar een bestaande licentie niet opzeggen, maar aangenomen moet worden dat hij niet gedwongen kan worden een nieuwe overeenkomst te sluiten.

 

Het probleem wordt door de wetgever niet geadresseerd. Een oplossing kan gevonden worden in het stellen van enkele nadere regels. Zo zou bijvoorbeeld kunnen worden bepaald dat de makers niet op onredelijke gronden het geven van een licentie mogen weigeren. Zij zouden dit bijvoorbeeld niet mogen weigeren indien zij een aanvullende vergoeding krijgen die in verhouding staat tot de opbrengsten van de nieuwe exploitatievorm.

 

Kaskrakers

Het Voorontwerp geeft filmmakers een nieuw instrument in handen. Indien een film onverwacht een enorme kaskraker blijkt te zijn, kunnen zij de rechter verzoeken om de overeenkomst aan te passen zodat de vergoeding die zij krijgen meer in proportie wordt gebracht met de opbrengsten voor de exploitant.

 

Dit is voor de positie van de makers een aanzienlijke verbetering. De vraag is of er veel gebruik van deze mogelijkheid zal worden gemaakt. Een individuele maker wil immers bij exploitanten liever niet bekend staan als altijd ontevreden. Een steun in de rug om toch van het instrument gebruik te maken, zou een plicht voor de exploitant kunnen zijn om jaarlijks rekenschap te geven van de inkomsten. Met de cijfers in handen - die in dat geval bevestigen dat de exploitant wel erg veel verdient in verhouding tot de makers van het werk - is de drempel misschien minder hoog om naar de rechter te stappen.

 

Collectief beheer

Veel filmmakers dragen hun rechten over aan belangenorganisaties zodat deze de rechten collectief kunnen beheren. Acteurs dragen hun rechten bijvoorbeeld over aan NORMA, regisseurs aan VEVAM en scenarioschrijvers aan Lira. Onder het Voorontwerp kan dat niet meer omdat auteursrechten niet meer overdraagbaar zijn. De collectief beheersorganisaties kunnen dus ook nog slechts een licentie krijgen om de rechten collectief uit te oefenen.

 

De grote vraag is wat er dan gebeurt als die rechten vervolgens wel geacht worden aan de producent te zijn overgedragen. Blijft die licentie gelden en kunnen de belangenorganisaties dus vergoedingen blijven innen bij bijvoorbeeld de omroepen en de kabelexploitanten? Of verdwijnt de licentie met het overdragen van de rechten aan de producent? Deze onduidelijkheid zou door de wetgever weggenomen moeten worden, bijvoorbeeld door de overdracht van auteursrechten wel toe te laten aan collectieve beheersorganisaties.

 

Conclusie

De conclusie is dat de wetgever  vooralsnog veel bestaande onduidelijkheden niet opheldert en bovendien nieuwe onduidelijkheden veroorzaakt. Ook is het maar de vraag of de individuele filmmakers nu werkelijk beter af zijn en of er, aan de andere kant, niet te weinig rekening wordt  gehouden met de belangen van de exploitanten. Het stellen van een aantal aanvullende, scherpere regels geeft meer duidelijkheid, meer rechtszekerheid en komt de door de wetgever gewenste verbetering van de positie van individuele filmmakers ten goede.

 

In de volgende aflevering in de reeks Nieuw Auteurscontractenrecht: E-books



PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.