NL EN
  • Home»
  • Weblog »
  • Lego wint weer een veldslag, maar zal zij uiteindelijk ook de oorlog winnen?

Lego wint weer een veldslag, maar zal zij uiteindelijk ook de oorlog winnen?

Er is een nieuw deel toegevoegd aan het Lego-saga. Afgelopen maandag heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank ’s-Gravenhage vonnis gewezen in de zaak Lego tegen Bandao. De voorzieningenrechter is er echt voor gaan zitten en heeft een vonnis van 30 pagina’s uitgewerkt. In deze korte noot zal ik vooral aandacht schenken aan de overwegingen van de voorzieningenrechter met betrekking tot de slaafse nabootsing van de basis bouwstenen (r.o. 2.6 en 2.7)  en de overige elementen (r.o. 2.8).

 

               Basis bouwstenen                        Overige elementen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In dit kort geding treedt Lego op tegen Banbao, een groothandel en webwinkel in constructiespeelgoed. Lego stelt zich o.a. op het standpunt dat Banbao nodeloos verwarring sticht door de basis bouwelementen en de overige elementen na te bootsen, terwijl zij - zonder aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid af te doen – een andere weg had kunnen inslaan.

 

Banbao stelt zich ten aanzien van de basis bouwelementen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad (LJN: BJ6999) in de zaak van Lego tegen Mega Brands, op het standpunt dat uit marktonderzoeken is gebleken dat het publiek behoefte heeft aan standaardisatie.

 

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat standaardisatie een rechtvaardiging voor het nodeloos wekken van verwarring kan zijn. Standaardisatie heeft verschillende praktische, economische en technische voordelen, maar toch wijst de voorzieningenrechter het beroep op standaardisatie af. In het Lego/Mega Brands-arrest wordt de invloed van standaardisatie als rechtvaardigingsgrond beperkt. De Hoge Raad stelt daarin vast dat het bestaan van een behoefte aan standaardisatie bij het publiek nog niet met zich meebrengt dat op de nabootser geen verplichting rust om toch op bepaalde punten af te wijken (bijv. kleur of naamsvermelding).

 

Banbao heeft aangevoerd dat haar bouwstenen op bepaalde punten afwijken (o.a. grootte, kleur en materiaal). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn deze afwijkingen te beperkt om door het weinig oplettend publiek te worden opgemerkt. Ook heeft Banbao ter zitting verklaard dat er geen enkel bezwaar aanwezig is om haar (merk)naam op haar bouwstenen aan te brengen. De voorzieningenrechter stelt gelet op het bovenstaande vast dat Banbao de basis bouwstenen van Lego slaafs nabootst.

 

Ik vraag mij echter af of de rechter in dit kader een juiste waardering van de publieke behoefte aan standaardisatie heeft toepast. Is er nog wel plaats voor een aanvullende toets, als er al is vastgesteld dat de verwarringwekkende nabootsing gerechtvaardigd is? De vraag of er sprake is van nodeloze nabootsing van vormgevingselementen van een product, ligt immers al besloten in de toets of er al dan geen sprake is van slaafse nabootsing (‘zonder aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid af te doen op bepaalde punten evengoed een andere weg had kunnen inslaan en men door dit na te laten verwarring sticht’). Door een dergelijke dubbele toets, wordt de werking van de standaardisatie rechtvaardigingsgrond ingeperkt.

 

Vervolgens stelt de rechter vast dat de overige elementen van Lego ook slaafs worden nagebootst door Banbao. Hierbij wil ik nog kort stilstaan bij een interessante overweging van de voorzieningenrechter, namelijk:

 

‘De voorzieningen stelt voorop dat producten een eigen plaats op de markt innemen als zij zich aanmerkelijk onderscheiden van andere in de handel zijnde producten. Hoe die plaats op de markt is verworven komt bij de beoordeling van de vraag of op onrechtmatige wijze slaafs is nagebootst geen belang toe (r.o. 4.5.2 in LJN: BA7211). Dat een eigen positie op de markt veroorzaakt wordt door de historische monopoliepositie van Lego, zoals Banbao aanvoert, is naar voorlopig oordeel dan ook niet relevant.’ (r.o. 5.13)

 

De voorzieningenrechter verwijst in deze overweging naar een vonnis van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch waarin  - na velen jaren procederen - het auteursrecht op de Fatboy zitzak is erkend. Ik ben van mening dat deze overweging van de voorzieningenrechter te stellig is. Lego was houder van een octrooi (US3005282) op de basis bouwsteen, waarvan de beschermingstermijn in 1978 is verlopen. Mogelijk is na verloop van de beschermingstermijn van een octrooirecht  ruimte voor aanvullende bescherming op grond van de slaafse nabootsingsleer, omdat vormgeving  (in beginsel) niet het voorwerp van octrooirechtelijke bescherming is. Als er wordt gekeken naar de grondslagen van het octrooirecht, de negatieve reflexwerking bij vormgeving en techniek en de achtergrond bij registratiestelsels en beschermingstermijnen in het intellectuele eigendomsrecht, dan zou kunnen worden gesteld dat het wel degelijk relevant is om te kijken op welke wijze een monopoliepositie is verkregen. Deze onderwerpen zijn immers van belang voor de toepassing van de slaafse nabootsingsleer en daarmee ook voor de voorwaarden daarvan. Dit is echter niet de geschikte plek om een dergelijk uitgebreid betoog te houden.

 

Ik denk (en hoop stiekem) dat dit vonnis de (wetenschappelijke) discussies over de slaafse nabootsingsleer weer verder aanwakkert. De slaafse nabootsingsleer is een interessant leerstuk , dat kan worden verdedigd of bekritiseerd. De toekomst zal uitwijzen hoe de slaafse nabootsingsleer zich zal ontwikkelen, maar ik denk dat het Lego-saga belangrijk zal zijn voor het leerstuk en dus kijk ik uit naar het volgende deel.

BRON: ie-forum.nl en rechtspraak.nl


PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.