NL EN

Iep! in Tuschinski

Afgelopen woensdag is de kinderfilm Iep! voorvertoond. Hoewel de rel rond het inkorten van de film in de pers breed is uitgemeten (zie ook het artikel op nrc.nl), wilde ik hierbij nog even kort aandacht besteden aan het bijbehorende kort geding.

 

Het kort geding concentreert zich op de vraag ‘of een arbiter moet worden aangewezen die bindend zal vaststellen welke versie van de film – de versie van Horst of de versie van Lemming – zal worden voltooid’ (rechtsoverweging 4.1). De verplichting hiertoe is neergelegd in artikel 6, lid 4 van de regieovereenkomst:

 

In het geval de Producent de eindmontage en mixage op de voet van lid 2 afkeurt, en de Regisseur en de Producent vervolgens niet tot overeenstemming dienaangaande komen, dan zullen partijen een onafhankelijk arbiter aanwijzen wiens oordeel dienaangaande bindend zal zijn. Wat de uitkomst van een dergelijke arbitrage ook moge zijn, de Regisseur zal in geen geval kunnen verlangen of eisen dat de Film gestaakt dan wel opgeschort wordt, dan wel de exploitatie ervan wordt belemmerd; de Regisseur heeft te allen tijde het recht haar naam van de Film (en de daarmee samenhangende uitlatingen en zaken) te laten verwijderen.

 

Hoewel ik, op een aantal andere leden van artikel 6 na, de overige bepalingen van het contract niet ken, lijkt Horst haar auteursrecht op de film aan Lemming te hebben overgedragen danwel gelicentieerd. Dit volgt uit de eerste zin van artikel 45d van de Auteurswet:

 

Tenzij de makers en de producent schriftelijk anders overeengekomen zijn, worden de makers geacht aan de producent het recht overgedragen te hebben om vanaf het in artikel 45c bedoelde tijdstip het filmwerk openbaar te maken, dit te verveelvoudigen in de zin van artikel 14, er ondertitels bij aan te brengen en de teksten ervan na te synchroniseren.

 

Uit hoofde hiervan kan zij tegen de exploitatie van Iep! inderdaad niet in het geweer komen. Wat echter opvalt, is dat de persoonlijkheidsrechten van de regisseur in casu niet te berde zijn gebracht. Deze zijn neergelegd in artikel 25 van de Auteurswet:

 

1. De maker van een werk heeft, zelfs nadat hij zijn auteursrecht heeft overgedragen, de volgende rechten:

a. het recht zich te verzetten tegen openbaarmaking van het werk zonder vermelding van zijn naam of andere aanduiding als maker, tenzij het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;

b. het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van het werk onder een andere naam dan de zijne, alsmede tegen het aanbrengen van enige wijziging in de benaming van het werk of in de aanduiding van de maker, voor zover deze op of in het werk voorkomen, dan wel in verband daarmede zijn openbaar gemaakt;

c. het recht zich te verzetten tegen elke andere wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;

d. het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid.

2. De in het eerste lid genoemde rechten komen, na het overlijden van de maker tot aan het vervallen van het auteursrecht, toe aan de door de maker bij uiterste wilsbeschikking aangewezene.

3. Van het recht, in het eerste lid, onder a genoemd kan afstand worden gedaan. Van de rechten onder b en c genoemd kan afstand worden gedaan voor zover het wijzigingen in het werk of in de benaming daarvan betreft.

4. Heeft de maker van het werk het auteursrecht overgedragen dan blijft hij bevoegd in het werk zodanige wijzigingen aan te brengen als hem naar de regels van het maatschappelijk verkeer te goeder trouw vrijstaan. Zolang het auteursrecht voortduurt komt gelijke bevoegdheid toe aan de door de maker bij uiterste wilsbeschikking aangewezene, als redelijkerwijs aannemelijk is, dat ook de maker die wijzigingen zou hebben goedgekeurd.

 

Mijns inziens had Horst op basis van artikel 25d, lid 1, sub c van de Auteurswet zich kunnen verzetten tegen het inkorten van de film met vijftien minuten (rechtsoverweging 4.8). Voorzover zij van dit recht afstand zou hebben gedaan (art. 45d, lid 3 van de Auteurswet), had de mogelijkheid van artikel 25d, lid 1, sub d van de Auteurswet misschien soelaas kunnen bieden. Over het onderscheid tussen beide categorieën zegt Spoor, Verkade, Visser het volgende:

 

Het verschil tussen ‘wijziging’ enerzijds en ‘misvorming, verminking of andere aantasting’anderzijds is een graduele kwestie. De wet geeft geen grens aan tussen beide categorieën.

 

Een bezwaar tegen wijzigingen stelt daarnaast de eis van ‘redelijkheid’ welke een belangenafweging vereist. Voor honorering van een beroep op artikel 45d, lid 1, sub d van de Auteurswet moet sprake zijn van nadeel. Als de naam van de auteur bij het publiek niet bekend is, zal dit minder snel gebeuren. Saillant detail is in dit verband dat “Horst stelt dat zij er belang bij heeft dat haar versie van de film zal worden gepresenteerd, onder andere omdat dit haar naamsbekendheid ten goede komt.”

 

Hoewel het te ver voert om het geschil hier nader wettelijk te toetsen, had Horst’ versie van Iep! misschien wel een beter lot moeten verdienen. Voor wie niettemin geïnteresseerd is om het eindresultaat te gaan aanschouwen: de film gaat deze week in première tijdens het filmfestival van Berlijn.



PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.