NL EN
  • Home»
  • Weblog »
  • Exploitatie voetbal decoderuitzendingen in EU op de helling, aldus AG EHvJ

Exploitatie voetbal decoderuitzendingen in EU op de helling, aldus AG EHvJ

Gebruik van uit andere EU-landen geïmporteerde decoder kaarten (om goedkoper) te kunnen kijken naar buitenlandse voetbal-wedstrijden kan niet altijd worden beperkt. Licentiecontracten die dergelijke gebruik binnen de EU beperken, beperken daarmee de mededinging en zijn dus ongeoorloofd, aldus de Advocaat-generaal J. Kokott van het Hof van Justitie van de Europese Unie (EHvJ) in haar  conclusie van 3 februari 2011.

Dit zijn twee belangrijke antwoorden in haar lijvige (46 pagina’s) conclusie naast de andere antwoorden op vele vragen die door twee Engelse gerechtelijk instanties in twee zaken zijn voorgelegd aan het EHvJ.

In beiden zaken gaat het om de vraag of het gebruik van (handel in) buitenlandse decoder kaarten (i.c. Griekse) waarmee men voetbalwedstrijden, zoals die van de Engelse Premier League kan bekijken. Deze Griekse decoderkaarten die in Griekenland met toestemming van de rechthebbenden (o.a. de Engelse Footbaal Association Premier League) door de Griekse licentienemer op de Griekse markt zijn gebracht, werden in Engeland ook gebruikt door caféhouders.

Volgens Kokott kunnen de rechthebbenden zich echter wel verzetten tegen de uitzending in cafés “voor zover de uit de uitoefening van dat recht voortvloeiende beperking van de vrijheid van dienstverrichting niet onevenredig is aan het aandeel van de beschermde rechten in de uitzending."
Het is dus nog maar de vraag of altijd "Café mag voetbalwedstrijd met decoder uitzenden”, zoals het AD vandaag kopt.

Als deze conclusies (antwoorden) door het Europese Hof worden overgenomen – het geen in de meeste gevallen gebeurd – dan ziet het er naar uit dat daarmee het exclusieve distributiesysteem, zoals de voetbalbonden met betrekking tot de uitzendrechten hanteren, op de helling staat.

Hieronder alle antwoorden en de link naar de conclusie.

“V –    Conclusie

252. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:

1.      De eerste vraag in zaak C‑403/08

Het „ontwerpen” of „aanpassen” in de zin van artikel 2, sub e, van richtlijn 98/84/EG moet worden begrepen als het vervaardigen of wijzigen van een apparaat om toegang te verschaffen tot een beschermde dienst in begrijpelijke vorm zonder toestemming van de dienstverrichter. Dit betekent dat wanneer uitrusting voor voorwaardelijke toegang wordt geproduceerd door of met toestemming van een dienstverrichter en wordt verkocht met de beperking dat de uitrusting alleen onder bijzondere omstandigheden mag worden gebruikt om toegang te verkrijgen tot de beschermde dienst, die uitrusting geen „illegale uitrusting” in de zin van artikel 2, sub e, van richtlijn 98/84/EG wordt wanneer zij wordt gebruikt om toegang te verschaffen tot die beschermde dienst op een plaats, op een manier of door een persoon waarvoor de dienstverrichter geen toestemming heeft gegeven.

2.      De derde vraag in zaak C‑429/08

Artikel 3, lid 2, van richtlijn 98/84 verzet zich niet ertegen dat een lidstaat een beroep doet op een nationale bepaling die het gebruik van uitrusting voor voorwaardelijke toegang verbiedt wanneer sprake is van niet-nakoming van contractuele afspraken over de toegankelijkheid van programma’s in bepaalde lidstaten na verstrekking van een valse naam en/of woonadres bij aanschaf van de uitrusting voor toegang of het gebruik van een voor privé- of thuisgebruik bestemde uitrusting voor toegang voor commerciële doeleinden.

3.      De vierde vraag in zaak C‑403/08

a)      De vraag of werken in hun geheel of gedeeltelijk zijn gereproduceerd, moet door uitlegging van artikel 2 van richtlijn 2001/29/EG worden beantwoord.

b)      Er is sprake van reproductiehandelingen wanneer fragmenten van digitale video- en audio-opnamen in het geheugen van een decoder worden gecreëerd, aangezien deze fragmenten onderdeel zijn van de eigen intellectuele schepping van de auteur van de uitzending.

c)      Ook het vertonen van een uitzending op een televisiescherm moet als reproductie worden beschouwd.

4.      De vijfde vraag in zaak C‑403/08

Kopieën van voorbijgaande aard van een werk die op een met een decoderbox verbonden televisiescherm worden gecreëerd, hebben een zelfstandige economische waarde in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/29, maar kopieën van voorbijgaande aard die in het geheugen van een decoder worden gecreëerd niet.

5.      De zesde vraag in zaak C‑403/08

Een auteursrechtelijk beschermd werk wordt niet in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG per draad of draadloos aan het publiek meegedeeld wanneer het als onderdeel van een satellietomroepuitzending wordt ontvangen en getoond in een bedrijfsruimte (bijvoorbeeld een café) of in die ruimte via een enkel televisiescherm en luidsprekers kosteloos wordt meegedeeld of vertoond aan leden van het publiek die in die ruimte aanwezig zijn.

6.      De zevende vraag in zaak C‑403/08

Het recht op mededeling van auteursrechtelijk beschermde werken per satelliet overeenkomstig artikel 2 van richtlijn 93/83 omvat het recht om die uitzending ook in het buitenland te ontvangen en te bekijken.

7.      De zesde en de zevende vraag in zaak C‑429/08 en de zevende vraag, de achtste vraag, sub c, en de negende vraag in zaak C‑403/08

a)      De vrijheid van dienstverrichting in de zin van artikel 56 VWEU (ex artikel 49 EG) verzet zich tegen regelingen die het met het oog op de bescherming van de intellectuele eigendom verbieden dat in een lidstaat uitrusting voor voorwaardelijke toegang tot gecodeerde satelliettelevisie wordt gebruikt die in een andere lidstaat met toestemming van de houder van de rechten op de uitzending in de handel is gebracht. De vraag of die uitrusting in een andere lidstaat door opgave van een valse naam en woonadres is gekocht en/of geactiveerd, is niet relevant. Ook een afspraak in een individuele overeenkomst dat de decoderkaarten alleen voor privé- of thuisgebruik bestemd zijn, kan een territoriale beperking van de vrijheid van dienstverrichting niet rechtvaardigen.

b)      De vrijheid van dienstverrichting verzet zich niet tegen nationale regelingen die de houder van rechten op een uitzending toestaan, zich tegen de weergave van die uitzending in een café te verzetten, voor zover de uit de uitoefening van dat recht voortvloeiende beperking van de vrijheid van dienstverrichting niet onevenredig is aan het aandeel van de beschermde rechten in de uitzending.

c)      Met betrekking tot het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is niet relevant of de nationale bepaling in strijd is met de vrijheid van dienstverrichting omdat zij van toepassing is op programma’s die via een radiodienst worden uitgezonden die vanaf een plaats in het Verenigd Koninkrijk wordt verzorgd, maar niet op uitzendingen vanuit een andere lidstaat.

8.      De tiende vraag in zaak C‑403/08 en de achtste vraag in zaak C‑429/08:

Wanneer een aanbieder van programma-inhoud een reeks exclusieve licentieovereenkomsten aangaat, elk voor het grondgebied van één of meer lidstaten, op grond waarvan de omroeporganisatie de programma-inhoud alleen op dat geografische gebied mag uitzenden (inclusief via satelliet), en elke licentie een contractuele verplichting voor de omroeporganisatie bevat om te voorkomen dat haar satellietdecoderkaarten, die het mogelijk maken om de in licentie gegeven programma-inhoud te ontvangen, buiten het in licentie gegeven geografische gebied worden gebruikt, kunnen die licentieovereenkomsten de mededinging verhinderen, beperken of vervalsen en zijn derhalve onverenigbaar met artikel 101, lid 1, VWEU. Er behoeft niet te worden aangetoond dat dergelijke gevolgen zich daadwerkelijk hebben voorgedaan.”

BRON: Europese Hof van Justitie


PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.