NL EN

Een greep uit…

Ook deze week doet SOLV weer een greep uit een aantal interessante uitspraken op het gebied van media, technologie en communicatie.

Allereerst een tweetal uitspraken over privacy, meer specifiek de verwerking van persoonsgegevens en het inzagerecht op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens.
Het Hof Amsterdam deed op 31 januari jl. uitspraak in een zaak over een inzageverzoek op grond van artikel 35 lid 2 van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP). Betrokkene – een patiënt –  wilde inzage in het volledige medisch dossier zoals dat was gevormd bij de  aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis. Het hof stelt dat betrokkene op grond van artikel 35 WBP recht heeft op toegang tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de over hem opgeslagen informatie kan vergewissen. De verzoeker mag verwachten dat de informatie transparant en volledig zal zijn. De verantwoordelijke mag dan ook niet volstaan met de verstrekking van globale informatie. Dit betekent echter niet dat alle informatie uit een dossier zonder meer moet worden verstrekt. Zo vallen interne notities niet onder het inzagerecht en kan de verantwoordelijke artikel 35 van de Wbp buiten toepassing laten als dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.
In casu oordeelt het hof evenwel dat een rapport van een medisch deskundige in ieder geval niet buiten de werkingssfeer van de Wbp valt
. Verder oordeelt het hof dat de verzekeraar betrokkene een overzicht moet verstrekken van alle zich in het medisch dossier bevindende stukken, waarbij per dossierstuk dient te worden aangegeven waarover dit stuk handelt en om welke reden een wettelijke uitzondering op het inzagerecht van toepassing zou zijn. De betrokkene moet vervolgens in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren.

In een andere WBP-zaak oordeelde de rechtbank Amsterdam op 15 december 2011 dat de ING-bank een gerechtvaardigd belang had om persoonsgegevens van een van haar rekeninghouders te verwerken. Aanleiding voor de verwerking was een onderzoek naar fraude, waarbij zonder opdracht een bedrag van een andere rekeninghouder was bijgeschreven op de rekening van de betrokkene. Dit was voor de ING bank aanleiding om de persoonsgegevens van betrokkene op te nemen in het incidentenregister. De rechtbank oordeelt dat deze verwerking zijn grondslag vindt in het gerechtvaardigde belang als bedoeld in artikel 8 sub f Wbp. Dit artikel schrijft voor dat bij het verwerken van persoonsgegevens een afweging wordt gemaakt tussen het gerechtvaardigd belang van – in casu – ING om de gegevens te verwerken in het incidentenregister en het belang van betrokkene op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Omdat in casu vast is komen te staan dat de betrokken rekeninghouder betrokken is geweest bij frauduleuze handelingen, prevaleert het belang van ING, aldus de rechtbank.

Op het gebied van het intellectueel eigendomsrecht is noemenswaardig een geschil  bij de rechtbank Den Haag over het merk “PARERCLIP”. In deze zaak stelde de Stichting Paperclip onder meer dat sprake was van merkinbreuk in de zin van artikel 2.20 lid 1 sub b BVIE door de omroep NCRV, omdat  omgekeerd verwarringsgevaar” te duchten zou zijn door het gebruik van het teken 'NCRV Paperclip'. Van “omgekeerd verwarringsgevaar” zou sprake zijn indien het in aanmerking komende publiek kon menen dat de door de Stichting georganiseerde dance-events door NCRV waren georganiseerd (of dat andere door de Stichting aangeboden waren of diensten van NCRV afkomstig zijn), hetgeen de Stichting onwenselijk acht. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter biedt artikel 2.20 lid 1 onder b BVIE echter geen bescherming tegen dergelijk “omgekeerd verwarringsgevaar”. Het artikel biedt slechts bescherming tegen verwarring met het merk, in die zin dat het in aanmerking komend publiek kan menen dat de onder het overeenstemmende teken aangeboden waren of diensten van de merkhouder afkomstig zijn (directe verwarring) dan wel dat de merkhouder op een of andere manier, vanwege een economisch band met de gebruiker van het teken, iets te maken heeft met de onder het overeenstemmende teken aangeboden waren of diensten (indirecte verwarring). Van een dergelijk directe of indirecte verwarring was naar het oordeel van de rechtbank in casu geen sprake.

Op het gebied van vergelijkende en misleidende reclame is interessant de kort geding uitspraak van 1 februari jl van de Rechtbank Amsterdam in een zaak tussen supermarktketens Dirk van den Broek en Albert Heijn. De voorzieningenrechter oordeelt dat een advertentie van Dirk van den Broek, waarin deze stelde 20% goedkoper te zijn dan Albert Heijn, misleidend is. Dirk van den Broek was bij het noemen van bepaalde prijzen niet nagegaan of de prijzen juist waren en had bovendien prijzen vergeleken met producten van een andere kwaliteit. Tot slot had Dirk van den Broek een verkeerde rekenmethode toegepast, aldus de voorzieningenrechter. Dirk van den Broek wordt veroordeeld de advertentie te rectificeren in twee dagbladen en door middel van posters in elk filiaal.  

Tot slot nog een interessante verbintenisrechtelijke uitspraak van de Hoge Raad over vertegenwoordiging, met name over de schijn van volmachtverlening (artikel 3:61 lid 2 BW) en wanneer deze aan de achterman kan worden toegerekend. De Hoge Raad bepaalt dat voor toerekening in verband met de schijn van volmachtverlening, óók plaats zijn in geval van feiten en omstandigheden die voor risico van de achterman komen en waaruit naar verkeersopvattingen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Volgens de Hoge Raad is een “toedoen” van de achterman daarvoor niet noodzakelijk. Dit is een bevestiging van het eerdere door de Hoge Raad aanvaarde “risico-beginsel” (HR 19 februari 2010, RCR 2010, 32 (ING/Bera).

BRON: rechtspraak.nl


PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.