NL EN
  • Home»
  • Weblog »
  • De “onderneming” in het handelsnaamrecht

De “onderneming” in het handelsnaamrecht

In deze post besteed ik aandacht aan een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 december jl. (LJN: BU8950). In dit arrest kwam onder meer de vraag aan de orde of het gebruik van een naam door een neuropsychologische maatschap, al dan niet verbonden aan de Universiteit Tilburg (hierna: “UvT”), kan worden aangemerkt handelsnaamgebruik.

De feiten zijn (samengevat) als volgt:

X heeft in 1978 binnen de UvT een centrum van neuropsychologisch onderzoek opgericht. Dit onderzoekscentrum trad vanaf eind jaren 80’ naar buiten onder de naam “Tilburgs Ambulatorium Neuropsychologie”, afgekort “TAN”.

Y is in 1983 gaan werken bij het TAN. Y is begonnen als stagiair van X, maar is uiteindelijk uitgegroeid tot gediplomeerd GZ-psycholoog en universitair docent aan de UvT.

Op 20 mei 2003 zijn X en Y een maatschap met elkaar aangegaan met het doel “het – teneinde kosten te besparen gezamenlijk – uitoefenen van een praktijk voor psychologische dienstverlening aan mensen met functiestoornissen en het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande in de ruimste zin van het woord genomen verband houdt, het in dat verband eventueel verkrijgen van goederen en het eventueel aannemen van medewerkers. De maatschap heeft vervolgens elders een nieuwe praktijkruimte gehuurd, waarvan X en Y, ieder voor de helft, de huur betaalden. De praktijk handelde onder de naam “Tilburgs Ambulatorium Neuropsychologie”, oftewel “TAN”.

In augustus 2008 heeft Y de praktijkruimte verlaten en heeft elders een nieuwe praktijk opgericht en treedt naar buiten  onder de naam “Tilburgs Ambulatorium Neuropsychologie”, oftewel “TAN”.

X heeft vervolgens (tezamen met zijn dochter) op 19 februari 2009 heeft woordmerk TAN gedeponeerd, welk merk op 10 april 2009 is ingeschreven.

Op 15 juni 2009 zijn X en Y overeengekomen om de maatschap met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2008 te ontbinden.

Het probleem laat zich al raden: wie mag nou eigenlijk de handelsnamen Tilburgs Ambulatorium Neuropsychologie of TAN voeren.

Het Gerechtshof pakt de zaak gestructureerd aan:

Onder een handelsnaam wordt verstaan: de naam waaronder een onderneming wordt gedreven (art. 1 Hnw). Voor de definitie van het begrip “onderneming” wordt aansluiting gezocht bij artikel 2 van de Handelsregisterbesluit 2008: “een oogmerk materieel gewin te behalen”. In de jurisprudentie wordt de volgende hoofdregel gehanteerd, welke het Gerechtshof in overweging 4.7.1 herhaalt, namelijk:

Op grond van deze jurisprudentie is vereist dat de onderneming op commerciële wijze aan het economisch verkeer deelneemt, waarbij materieel voordeel wordt beoogd dan wel dat men in concurrentie treedt met derden, die op commerciële wijze aan het economisch verkeer deelnemen, en er een georganiseerd verband is waarmee men naar buiten treedt. (onderstrepingen ER).

Het Gerechtshof gaat eerst in op de vraag of het gebruik tot 2003 door het onderzoekscentrum (opgericht door X) van de naam Tilburgs Ambulatorium Neuropsychologie of TAN, kan worden aangemerkt als handelsnaamgebruik. Het Gerechtshof beantwoord deze vraag ontkennend.

“Naar het voorlopig oordeel van het hof volgt hieruit dat bij de activiteiten van het onderzoekscentrum de nadruk bepaald niet lag op het nastreven van materieel voordeel, maar dat de doelstelling vooral was studenten een stageplek en de mogelijkheid om onderzoek te doen te bieden, terwijl voorts ook aan pas afgestudeerde psychologen de mogelijkheid werd geboden praktijkervaring op te doen. Het hof komt op grond daarvan tot de voorlopige conclusie dat het onderzoekscentrum binnen de universiteit een afgescheiden entiteit was, waarbij naast wetenschappelijk onderzoek ook klinisch werk werd verricht, maar dat niet gezegd kan worden dat de UvT met dit onderzoekscentrum op commerciële wijze deelnam aan het handelsverkeer. Van een onderneming was dus geen sprake. (…)”(ov. 4.5.7)

Vormt het gebruik door de maatschap van de namen Tilburgs Ambulatorium Neuropsychologie of TAN dan wel handelsnaamgebruik? Het Gerechtshof antwoord deze vraag bevestigend.

“Binnen de maatschap van [X.] en [Y.] werden patiënten getest en behandeld tegen een commerciële vergoeding, die mogelijk (deels) werd vergoed door de zorgverzekeraar van de patiënt. Uit de door [Y.] overgelegde folders blijkt duidelijk dat de maatschap zich als georganiseerd verband aan het handelsverkeer presenteerde. Voorts acht het hof voorshands aannemelijk dat sprake was van concurrentie met andere neuropsychologische praktijken. Op grond van deze omstandigheden is het hof vooralsnog van oordeel dat de binnen de maatschap door [X.] en [Y.] uitgeoefende beroepspraktijk op commerciële wijze heeft deelgenomen aan het rechtsverkeer en dus in het kader van de Handelsnaamwet als een onderneming kan worden aangemerkt. 
Dit heeft tot gevolg dat de door de maatschap van [X.] en [Y.] gevoerde namen ‘Tilburgs Ambulatorium Neuropsychologie en ‘TAN’ als handelsnamen kunnen worden gekwalificeerd. Dit leidt er tevens toe dat de handelsnamen tot het vermogen van de maatschap behoren.
(ov. 4.7.8)

Maar wie komt dan eigenlijk het recht toe om de handelsnaam te gebruiken, nu er hieromtrent niets is geregeld. Het Gerechtshof oordeelt dat Y gerechtigd is om de handelsnamen Tilburgs Ambulatorium Neuropsychologie of TAN te gebruiken, in ieder geval totdat de bodemrechter zich over deze zaak heeft gebogen. Het Gerechtshof is van mening dat Y hiertoe een groter belang heeft en onderbouwt dit als volgt:

Gelet op het aantal patiënten dat [Y.] behandelt als mede gelet op de omvang van haar praktijk, waaronder begrepen het aantal personeelsleden dat [Y.] in dienst heeft, weegt het belang van [Y.] op het gebruik van de handelsnamen thans beduidend zwaarder dan het belang van Pontifix en [X.]. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat dan der Vlugt bij pleidooi heeft meegedeeld dat hij slechts een gering aantal patiënten behandelt, waarbij het hem er vooral om te doen is zijn BIG registratie te behouden. Voorts acht het hof, anders dan [X.], het belang dat de dochter van [X.] zijn praktijk inclusief de handelsnamen kan overnemen niet zo zwaarwegend dat dit afdoet aan het hiervoor genoemde belang van [Y.].” (ov. 4.9)



PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

REACTIE (1)

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.