NL EN
  • Home»
  • Weblog »
  • Betere bronbescherming voor journalisten

Betere bronbescherming voor journalisten

De Nederlandse journalist staat per 1 maart 2012 sterker als het gaat om bronbescherming. Vanaf dan moet namelijk eerst het oordeel van de rechter er aan te pas komen om een bron onder dwang prijs te geven, zo blijkt uit de Aanwijzing toepassing dwangmiddelen tegen journalisten van 27 februari jl.  Voorheen kon het Openbaar Ministerie (OM) naar eigen inzicht bepalen om journalisten te dwingen hun bronnen vrij te geven of anderszins informatie te verstrekken als zij daar aanleiding voor zag. Daartoe kon het OM overgaan tot huiszoekingen op redacties en het in beslag nemen van journalistiek materiaal.

Dat wordt nu anders. De Aanwijzing toepassing dwangmiddelen tegen journalisten bevat beleidsregels die als doel hebben te bevorderen dat het OM bij de toepassing van opsporingsbevoegdheden jegens journalisten steeds een zorgvuldige afweging maakt. Volgens de aanwijzing is het toepassen van strafvorderlijke dwangmiddelen – zoals inbeslagneming, doorzoeking of het afluisteren van de telefoon –  tegen een journalist dan ook slechts onder bijzondere omstandigheden toegestaan, namelijk als dit het enige denkbare effectieve middel is om een zeer ernstig delict op te sporen en te voorkomen. Te denken valt bijvoorbeeld aan misdrijven waarbij het leven, de veiligheid of de gezondheid van mensen ernstig kunnen worden geschaad of in gevaar kunnen worden gebracht.  Alvorens tot de inbeslagneming van journalistiek materiaal of doorzoeking over te gaan, moet bovendien een rechterlijke toetsing plaatsvinden. De aanwijzing definieert een “journalist” als “de natuurlijke- of rechtspersoon die zich beroepsmatig bezighoudt met het verzamelen en vervolgens verspreiden van informatie via de media”.

Achtergrond van deze verhoogde bescherming van het journalistieke recht op bronbescherming is het feit dat bronnen onmisbaar zijn voor het goed functioneren de journalistiek. Bronbescherming is daarom een essentiële schakel in de vrijheid van nieuwsgaring, welk recht voortvloeit uit het recht op vrijheid van meningsuiting. Immers, als bronnen er niet van op aan kunnen dat journalisten hun identiteit beschermen, dan zouden zij minder geneigd zijn informatie te verstrekken aan journalisten en zou aan het publiek informatie over zaken van publiek belang onthouden worden.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft dit belang bij bescherming van het journalistiek bronnengeheim op basis van artikel 10 EVRM nadrukkelijk erkend in de Goodwin-zaak (EHRM 27 maart 1996). De journalist Goodwin hoefde in deze zaak de identiteit van een zijn bron – een klokkenluidende werknemer – niet te onthullen. Volgens het Hof is de bescherming van bronnen “one of the cornerstones of freedom of press”, een essentieel middel dat de pers in staat stelt haar belangrijke functie van publieke waakhond in een democratische samenleving te vervullen. Het Hof legt uitdrukkelijk de link tussen bronbescherming en de informatievrijheid: een bevel aan een journalist om zijn bron te noemen is een beperking van het in artikel 10 lid 1 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting. Daarom is een bevel een bron te onthullen niet verenigbaar met artikel 10 EVRM, tenzij het door een zwaarwegende eis van publiek belang wordt gerechtvaardigd.
De Hoge Raad volgde het Goodwin-arrest van het EHRM in het Van den Biggelaar-arrest (HR 10 mei 1996, NJ 1996, 578), door te overwegen dat uit het eerste lid van artikel 10 EVRM voor een journalist in beginsel het recht voortvloeit zich te verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij daardoor het bekend worden van zijn bron zou riskeren.

Uitgangspunt is dus dat journalisten het recht hebben hun bronnen te beschermen en dat het overheden, uitzonderlijke situaties daargelaten, niet is toegestaan daarop een inbreuk te maken. In de Sanoma-zaak van 2010, heeft het EHRM zich negatief uitgesproken over het feit dat in Nederland voor het toepassen van doorzoeking en inbeslagneming bij journalisten geen voorafgaande toestemming van een rechter noodzakelijk is (EHRM 14 september 2010). De kwaliteit van de Nederlandse wetgeving over de inbeslagneming van journalistiek materiaal was volgens het Hof gebrekkig (“deficiënt”) , in het bijzonder omdat een procedure ontbreekt die verplicht tot een voorafgaande rechterlijke afweging van enerzijds het recht op vrije meningsuiting (inclusief het belang van bescherming van journalistieke bronnen) en anderzijds het opsporingsbelang.

Deze Sanoma-uitspraak heeft gevolgen voor de werkwijze van het OM, zo wordt gesteld in de Aanwijzing. De rechter moet zich vóóraf kunnen uitspreken over de rechtmatigheid van het toepassen van dwangmiddelen tegen journalisten. Daarom dient de Officier van Justitie, die journalistiek materiaal in beslag wil nemen of het redactielokaal van een journalist wil doorzoeken, bij de Rechter-Commissaris een daartoe strekkende vordering in te dienen. De Rechter-Commissaris kan vervolgens al dan niet overgaan tot het geven van een bevel tot uitleving van het voor inbeslagneming vatbare materiaal van de journalist of het geven van toestemming voor doorzoeking. Indien een dergelijk bevel of een dergelijke toestemming wordt afgegeven, moet de toepassing van de dwangmiddelen bovendien op de voor de journalist minst belastende wijze geschieden.

Opgemerkt zij dat de Aanwijzing van het OM geen wet is. Bronbescherming heeft dus nog geen wettelijke basis. Mijns inziens is dit – zeker gelet op de hierboven genoemde Sanoma-uitspraak – wel noodzakelijk. Dat het OM het vereiste van een voorafgaande rechterlijke toets nu vastlegt in haar beleidsregels, is echter wel een belangrijke stap in de goede richting.

BRON: nu.nl


PAGINA DOORSTUREN

DEZE PAGINA IS SUCCESVOL DOORGESTUURD!

EEN REACTIE PLAATSEN

UW E-MAIL ADRES WORDT NIET GETOOND AAN ANDERE BEZOEKERS.

  1. NAAM
  2. E-MAILADRES
  3. BERICHT
  4. WANNEER U DEZE REGEL KUNT LEZEN, VUL HET VOLGENDE VELD DAN NIET IN!
  5.